Column: Vuurwerk

Ik hou niet van mannen in uniform. Niet van de politie, niet van militairen, niet van de brandweer. Te pedant en hooghartig. Te weinig vuur in hun stem en te veel rook in hun ogen. Dat is ook wat ik voelde toen drie brandweercombi’s lelijk tot stilstand kwamen voor de deur van mijn appartement, terwijl een van hen – mét jaren negentig-snor en kaken warmrood als krieken op zware siroop – mijn bovenste beste bovenbuur vroeg waar de brand zich bevond. Het was immers hij, die in allerijl had gebeld.

Met een dankbaar kreetje omarmt de bovenbuur zijn redding die hier net de stoep op reed, want dadelijk zou het gebouw in de fik staan. Zijn veilige haven, zijn spullen, zijn overzicht. Poef. Weg. Het oorverdovende getuut van mijn rookalarm moet plots luider geklonken hebben dan de stemmen in zijn hoofd: je zou voor minder gaan panikeren. ‘Ik woon op het tweede, meneer, het alarm kwam van beneden.’

Als de intercomhoorn bijna van de muur dondert door het gebonk op de deur, draait mijn vriend het vuur van het gasfornuis uit. ‘Heerst er brand in uw woning, meneer?’, vraagt de snor hem manhaftig, zonder rekening te houden met het vraagteken in de zin of enige vriendelijkheid in zijn uitdrukking. De bovenbuur steekt zijn hoofd voorzichtig door het deurgat naar binnen, verbaasd dat hij niet instant door een verstikkende rookwolk in ademnood raakt, terwijl mijn vriend zo droog als een Ardeense worst antwoordt: ‘Nee hoor, ik ben gewoon gehaktballetjes aan het bakken.’

Nu moet één ding gezegd ter mildheid van de paniekzaaierij van onze bovenbuur en diens brandweermakkers: mijn vriend en ik leven onder het genot van een overgevoelig rookalarm dat bijna pál boven het fornuis hangt. Blancheren we boontjes: gaat het af. Koken we eieren: gaat het af. Grillen we groenten: gaat het af. De dampkap kijkt machteloos toe. Het genie dat het alarm daar ooit installeerde, mag bij mij eens frietjes komen bakken.

Krijst het alweer, dan lijkt het een vrouw met PMS, een baby met driftbuien, een muis op speed. Geen wonder dat de onrust in het hoofd van de bovenbuur onmetelijke proporties begon aan te nemen na herhaaldelijke blootstelling aan dit auditieve onding. Wij, daarentegen, lijden al jaren aan een lichte vorm van stockholmsyndroom en kijken amper nog op als onze muis-met-megafoon weer eens als een bezetene begint te janken.

En dat geldt dus ook voor de gehaktballen die mijn vriend zo graag en goed bereidt. Altijd vuurwerk in je mond, die dingen, want hij bakt ze met een bijzonder krokantje dat hen een unique selling proposition geeft waarvan hun Ikea-collega’s alleen maar kunnen dromen. De köttbullar op zo’n mistroostig plateautje uit een roezemoezig Ikea-restaurant, maar dan mét karakter. Hij legt de Zweedse marketingmachine zomaar het vuur aan de schenen. Alleen niet vergeten te checken of de oordopjes naast het peper-en-zoutvat klaarliggen.

‘Heeft u anders nog wat ballen over?’, zegt de snor grijnzend. ‘Wij kunnen er wel wat gebruiken.’

Geplaatst door

Leest, schrijft en doet in verhalen. Houdt van taart en mooie zinnen bij een tas koffie. Werkt in de bib en freelancet als copywriter en (eind)redacteur. Schrijft een blog vol leeslust, schrijfdrang en literaire levensgenieterij.

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s